Zicht van een geostationaire satelliet boven de Atlantische oceaan. Zicht van een geostationaire satelliet boven de Atlantische oceaan.
Zicht van een geostationaire satelliet boven de Atlantische oceaan. Zicht van een geostationaire satelliet boven de Atlantische oceaan.

Satellietbanen

Van oudsher maken satellieten vooral gebruik van de geostationaire satellietbaan, of Geostationary Satellite Orbit, die al door Arthur C. Clarke in 1945 werd voorspeld. De GSO bevindt zich op 35,786 km boven de evenaar. De satelliet draait dan even snel rond de aarde als de aarde om zijn as, zodat het lijkt alsof de satelliet stil staat.

Door de grote hoogte van de satelliet 'ziet' deze een groot deel van de aarde. In principe kan dan ook met GSO satellieten wereldwijde dekking worden bereikt met slechts 3 satellieten, alleen de polen kunnen dor de kromming van de aarde niet worden bereikt. De daardwerkelijke 'footprint' wordt meestal beperkt door gebruik te maken van antennebundels.

De grote hoogte waarop de satelliet zich bevindt, heeft een aantal nadelen. De belangrijkste hiervan is wel dat door de lange afstand die het signaal moet overbruggen er behoorlijke vermogens nodig zijn. De terminals zijn dan ook relatief groot met behoorlijke antennes. Een bijkomend probleem is dat dit een vertraging van 240 - 280 ms met zich meebrengt. Bovendien zijn de lanceerkosten voor de satelliet aanzienlijk.

Om daadwerkelijk van compacte mobiele terminals gebruik te kunnen maken, zal de satelliet zich dichter bij de aarde moeten bevinden. De belangrijkste niet geostationaire banen (NGSO) zijn zogenaamde Mediate Earth Orbits en Low Earth Orbits. Bij MEOs bevinden de satellieten zich in een circulaire baan rond de aarde op een afstand van ongeveer 10.000 km. Bij LEOs zitten de satellieten in een baan van ongeveer 500 tot 2000 km. Hoe lager de satelliet zit, hoe minder vermogen de terminal nodig heeft om de satelliet te kunnen bereiken. Echter, hoe meer satellieten er nodig zijn om de gehele aarde te kunnen bedekken.





Terug naar boven.

 
© Peter Anker, Gids in Frequentieland.